Ik mag niet over oorlog schrijven (NRC 2 juli 2016)

Ik mag niet over oorlog schrijven. Oorlog komt er toch nooit. Een slag als bij de Somme, waar bijna 20.000 Britse soldaten in één dag het loodje legde is 100 jaar geleden. 100 jaar! Oorlog ligt niet in het patroon van een steeds veiliger en vredelievender wereld. We zijn te rijk en democratisch voor oorlog. We vinden oorlog zo onwaarschijnlijk dat we onze defensie half hebben wegbezuinigd. Waar zou je die nu nog voor nodig hebben?
Ik mag niet over oorlog schrijven. Want we hebben mensenrechten en verdragen en associatieovereenkomsten en vrijhandelszones en Verenigde Naties en staatsbezoeken en songfestivals en voetbaltoernooien. Het beest dat oorlog heet zit met dikke kabelsloten vast in een hele zware kluis.
Ik mag niet over oorlog schrijven, maar ik denk eigenlijk aan niets anders.
Brexit was de eerste keer dat populisme écht won. U mag mij naïef noemen maar ik zag het niet aankomen. Sterker nog, ik had vorige week donderdag een hele column geschreven uitgaande van een remain. Populisme waait immers meestal over. Al jaren roepen we met angst en beven dat Wilders hoog staat in de peilingen, maar hij werd nooit de grootste. Op 6 december vorig jaar kopten de kranten over de Franse regionale verkiezingen “grote overwinning extreemrechts verwacht”. En op 14 december kopten de kranten “Le Pen wint geen enkele regio in Frankrijk”. Net als dat Trump nu misschien een paar kleine overwinninkjes behaalt maar uiteindelijk eerloos ten onder gaat tegen Hillary. Het loopt vaak met een sisser af.
Toch?
Het is niet meer vanzelfsprekend. Populisten kunnen winnen, ze kunnen de geschiedenis veranderen en het is levensgevaarlijk. Ze hebben lak aan alles en slaan oorlogstaal uit. Al die verzekeringetjes die we hebben aangeschaft tegen oorlog, ze kunnen in één klap van tafel geveegd worden. Terwijl wij ons zorgen maken over micro-agressies kondigen zij macro-agressies aan. Nu ontbreekt er nog maar één voorwaarde voor echte duurzame politieke macht, namelijk dat zo’n partij ook daadwerkelijk intact blijft na zijn overwinning. Tot nu toe werd elke populistische overwinning gevolgd door een implosie. De LPF in 2002, de gedoogsteun van de PVV in 2012, en nu het Brexit team. Maar ditmaal is de grote schade al aangericht.
De nieuwste waarborgen tegen oorlog moeten daarom bestaan uit nieuw gericht anti-populistisch beleid.
Ten eerste moeten we nu niet zelf in reactie oorlogstaal gaan uiten, maar zoals Rutte voorstelt, met koel hoofd en warm hart handelen. Je kunt de schade die de Brexit stem heeft gedaan zo klein mogelijk maken door geen snelle artikel 50 procedure te eisen, maar verstandig en rustig alsnog het maximale eruit te slepen. Vrienden blijven. Ex-lidstaten “straffen” is een bijzonder slecht idee. De verhoudingen moeten koste wat kost goed blijven.
Ten tweede moeten we in het vervolg voorkomen dat een volk zomaar met een minimale meerderheid, economische zelfmoord mag plegen. Ik ben het met Kennet Rogoff, hoogleraar Economie aan Harvard, eens: dit was geen democratie maar Russische roulette. Voor grote beslissingen heb je grote meerderheden nodig. Daarmee beschermen we nu bijvoorbeeld al de grondwet. Voor een grondwetswijziging is eerst een gewone meerderheid nodig, en daarna, na parlementsverkiezingen nog eens een tweederde meerderheid. We moeten burgers beschermen tegen de tirannie van de meerderheid. En zeker tegen de tirannie van een piepkleine meerderheid die, misleid door populisten, op één regenachtige Britse zomerdag een heel continent in crisis kan storten.
Ten derde moeten we de bevolking serieus nemen en niet alleen achter een hoog hek naar cijfertjes staren. We weten allemaal dat autorijden statistisch gezien enger is dan terrorisme. Maar dat maakt niet uit. Net als dat massa-immigratie geen bedreiging is maar een economisch voordeel. Maakt ook niet uit. Angst drijft gedrag, daar moet je rekening mee houden. Evidence-based beleid is hartstikke leuk en slim en effectief, zeker in dit Big Data-tijdperk, maar je wint er geen harten mee. Het distantieert mensen van overheid en is daarmee een voedingsbodem voor woede, populisme en oorlogstaal.
Ten vierde, en dat is misschien wel het belangrijkste, moet je de belangrijkste voedingsbodem van populisme weghalen en dat is onwetendheid. Je moet de bevolking tegen de klippen op naar de academie sturen. Collegezalen moeten voller, HBO-opleidingen moeten nog beter, Universiteiten moeten minder elitair. Een paar jaar blootgesteld worden aan grote denkers en grote ideeën is de beste remedie tegen populisme.
En als laatste moeten we defensie weer aankleden. Voor het geval die andere maatregelen falen en het ondenkbare toch wel denkbaar blijkt.

Brexit (NRC 24 juni 2016)

We dronken een glas, deden een plas en alles bleef zoals het was. Al die voorpagina’s, al dat denkwerk, al dat gepieker en gepeins over een hypothetisch vertrek van de Britten uit de EU, alles was voor niets. Ze blijven.
Hier mijn theorie over het referendum: mensen stemmen tegen een Brexit omdat ze geen verandering willen. Omdat ze nooit verandering willen. Ze willen dat de status quo precies zo blijft als hij is. Een beetje zo van: “we zitten toch al jaren in de EU. Laten we er nu ook maar in blijven.”
Sterker nog. Ik denk dat de uitslag van de meeste referenda zo te verklaren is. De Schotten wilden niet onafhankelijk worden in 2014 want ze dachten: “ach, we zijn nu al zolang in het Koninkrijk laten we het nu maar lekker zo houden ook”. De Grieken wilden geen bail-out, want daar kon alleen maar nóg meer narigheid van komen. De Europese grondwet werd weggestemd want we deden het toch al jaren prima zonder? E n het Oekraïne verdrag werd weggestemd, want we hadden nu toch ook geen Oekraïne-verdrag? En we waren nu toch ook gelukkig?
Je kan elk referendum helemaal kapot-analyseren, maar volgens mij is er één gemene deler en dat is dat het volk bijna altijd zijn hakken in het zand zet. Het volk is hyper-inert, bang voor elke verandering, een dood paard. Mensen die afremmen, twijfelen, angstig zijn, zijn eigenlijk altijd in de meerderheid. En de meerderheid zegt dus: “laten we alles maar zo houden als het was”.
Het is zelfs zo’n voorspelbare eigenschap dat een volksraadpleging strategisch kan worden ingezet als je een bepaalde verandering wil tegenhouden. Nou was dat bij het Brexit referendum niet het geval, maar je ziet het wel bij lokale kwesties. Het zijn de tegenstanders van windmolens in Friesland die een referendum over de komst van windmolens proberen te organiseren. Het zijn de tegenstanders van het nieuwe erfpachtstelsel in Amsterdam die een referendum over het nieuwe erfpachtstelsel proberen te organiseren. Het zijn de tegenstanders van voorgestelde asielzoekerscentra in Sint Anna-Parochie en Zwolle en Den Bosch en Kollum die een referendum proberen te organiseren over die asielzoekerscentra. In Delft probeerde een groepje zelfs een referendum te organiseren mocht de gemeente het in zijn botte kop halen om ooit een asielzoekerscentrum naar Delft te laten komen. Dat was niet het geval.
Ik werd laatst op de hoogte gesteld van een prachtig ontwerp voor een brug over het IJ bij Amsterdam. Een “luchttunnel” voor fietsers en wandelaars en toeristen, die Noord met Zuid zou moeten verbinden, zodat je eindelijk niet meer op dat knullige pontje hoeft. Een geweldig idee, iets wat Amsterdam eindelijk iets meer smoel, een pietsie skyline zou kunnen geven. Denk je dat de organisatoren het ooit in een hoofd halen om een referendum aan te vragen? Welnee. Mensen die iets willen bouwen, die iets moois willen neerzetten in dit land, mijden het referendum als de pest.
Ik vind dat het zo moeilijk mogelijk moet worden gemaakt om een referendum te organiseren. Met referenda krijg je namelijk nooit iets voor elkaar. Ik durf te stellen dat als je het Nederlanders rechtstreeks had gevraagd er dan nooit een treinrails was aangelegd, er nooit een polder was drooggelegd, nooit deltawerken waren gebouwd, misschien wel nooit een grachtengordel uitgegraven. “Je weet toch nooit precies hoe het uitpakt”. “Misschien gaat er iets mis”. “Bij twijfel, niet doen”, zegt de bevolking meestal.
Daarom werkt de parlementaire democratie beter zonder referenda. Waar de meerderheid van het electoraat uit dode paarden bestaat, zijn diezelfde dode paarden in de minderheid bij de mensen die zich uiteindelijk verkiesbaar stellen. De tegenpartij heeft bijna altijd een HR-probleem. Er zijn gewoonweg te weinig representatieve mensen zonder strafblad die op de kieslijst willen van een partij die overal voor gaat liggen. Mensen die zich verkiesbaar stellen zijn veel vaker mensen met initiatief, optimisme, die iets willen bouwen, die iets willen veranderen. Als er één eigenschap van het volk consequent ondervertegenwoordigd wordt in de gemiddelde gemeenteraad, parlement of house of commons is het wel de inertie en angst van het volk.
En dat is een goede zaak. We moeten streven naar een politiek systeem dat de angst van het volk zo min mogelijk speelruimte en invloed geeft. Mensen mogen kiezen uit de ene parlementariër die het ene wil, of de andere parlementariër die het andere wil, en maar uit een handjevol mensen die lid zijn van de tegenpartij. En ze mogen nooit de gelegenheid krijgen om te kiezen voor de status quo. Dat is trouwens sowieso kiezersbedrog.

Ziekte van Lekker (NRC 18 juni 2016)

Zo vaak maak je niet mee dat je dit land met buitenlandse ogen kan bekijken. En zo lang zal het ook niet duren. Over een paar weken vind ik het alweer de normaalste zaak van de wereld dat je hier nergens een plastic zakje krijgt. Dat je kopje koffie in één slok op is. Dat je tijdens het fietsen de wind door je haren voelt.
Maar nu ik terug ben na twee jaar VS kijk ik nog even met verbazing naar dit paradijs. Wij zijn hier in een Haagse wijk komen wonen die voelt als een dorp. Met zo’n winkelstraat waar iedereen in Nederland steen en been over klaagt omdat er een HEMA en een Etos zit, maar die stiekem een verademing is ten opzichte van de grote marmeren winkelcentra waar de rest van de wereld zijn geld uitgeeft. Dit is aandoenlijk. Er is een slager, bakker, groentekraam, bloemenzaak en pal naast de ingang staat zo’n trotse authentieke visboer een kwartier lang voor een klant twee nieuwe haringen schoon te maken. We zitten midden in de stad maar toch hebben mensen de tijd hier. Hier rollen boodschappentassen. Hier klinken fietsbellen. Bij het bibliotheekje op de hoek zag ik een oudere heer 20 cent boete afrekenen voor een te laat ingeleverd boek.
Kabouterland.
Het is hier knus en gezellig, alle dagen van de week. In de rest van de wereld tref je op een gemiddelde werkdag in een winkelgebied alleen maar sloebers, werkelozen en bejaarden. Maar hier is er in het speeltuintje ook op een gemiddelde dinsdag of donderdag geen plek te vinden op de bankjes. Het wemelt er van die Doutzen Kroes-achtige moeders, spectaculair goed gekleed, met prachtige lange haren en hier en daar een stoute tatoeage. Ze hebben waarschijnlijk bijna allemaal een Master of HBO diploma, maar zitten toch op een drie of vier dagen contract. Het codewoord is hier “lekker”. Ze hebben een lekker lang weekend. Lekker een dagje voor zichzelf. Lekker knutselen voor vaderdag. Lekker kokerellen met verse ingrediënten. Lekker ravotten met Merle of Boaz of Noah. En na het speelkwartier met de andere Doutzen Kroes-achtige moeders bij één van de ontelbare truttige koffietentjes lekker even een latte drinken.
Het is een bijzonder soort welvaartsziekte die hier heerst. De ziekte van lekker.
Toen we op zoek gingen naar een crèche in de buurt bleken ze daar ook allemaal aan de ziekte van lekker te lijden. De groepen waren net lekker even een gezonde snack aan het eten. Waarna ze lekker even de snoeten gingenpoetsen. En het was lekker weer dus de leidsters gooiden lekker de ramen open. En elke dag gingen de groepen lekker naar buiten. Lekker rennen, lekker uitwaaien. Behalve natuurlijk als uw zoontje niet lekker is. Dan gaat hij lekker naar huis.
Er waren nog heel veel plekjes voor heel veel kindjes. En dat was heus niet alleen omdat het zo duur was. Al die kindjes zaten lekker met hun moeder in de speeltuin.
Iets anders wat opviel aan het taalgebruik op het kinderdagverblijf was dat de dagen lidwoorden hadden gekregen. De één was er bijvoorbeeld alleen op de woensdag en de donderdag. De ander alleen op de maandag en de dinsdag. En bijna niemand op de vrijdag, want dat zat eigenlijk iedereen die een beetje van zijn kind hield lekker in de speeltuin.
Het werd me langzaam duidelijk: het is eigenlijk helemaal niet de bedoeling dat je vijf dagen werkt. Dat past niet in het systeem. Nederland is al jaren geleden stilletjes overgestapt op de vierdaagse werkweek. De meeste die ik erover spreek zeggen dat ze hun vrije dag nooit meer willen inleveren. Het is gewoon té lekker.
En vergeef me, maar ik zie hier meer in dan alleen vreemd taalgebruik. Zo´n stopwoordje verschijnt als je op een gegeven moment rijk genoeg bent. Als je wel meer kunt verdienen maar er gewoonweg geen behoefte aan hebt. Dan doe je een stapje terug. Dan concentreer je je steeds meer op wat kennelijk het belangrijkste is in het leven. Dan ga je in dat warme bad liggen, waar je nooit meer hoeft uit te stappen. En als je over vijftig jaar denkt: nu is het leven niet echt lekker meer, dan mag je lekker dood. En dan staat er op je grafsteen “leefde een lekker leventje”.
De hele wereld streeft naar wat wij hier voor elkaar hebben gekregen. Toch word ik er ontzettend onrustig van. Er is niets om voor te vechten. Niets om over te schrijven. Dit land is af.

Decay art (NRC 28 mei 2016)

Twee jaar woonden we hier. Op deze bizarre plek in het MidWesten van Amerika. St. Louis leerde ik kennen als een stad met een geschiedenis van welvaart en voorspoed, een stad met prachtige parken, grootse bedrijven, bijzondere architectuur en tegelijkertijd de meest schrijnende segregatie die ik ooit zag, misschien op Zuid Afrika na. Het denkbeeldige hek dat rijk en arm scheidt is hier heel hoog. Aan de ene kant de rijkste straten met kilometers lang villa na villa na villa. Aan de andere kant een desolate stedelijke woestijn, met krot na krot na krot. En ook al leidde ik mijn leventje zonder problemen veilig aan één kant, toch was het hek altijd merkbaar aanwezig.
Bijvoorbeeld al die keren dat ik aan het eind van een werkdag in één van de labs van één van de beste universiteiten ter wereld mijn stoel achteruit schoof zodat de zwarte straatarme mank lopende schoonmaakster onder mijn bureau kon vegen. Of toen ik beviel van onze kerngezonde zoon terwijl in de ziekenhuiskamer naast mij een vrouw van mijn leeftijd voor de derde keer oma werd. Of al die keren dat ik met mijn kratje voedingswaren naar één van de tien “food pantries” in mijn buurt ging, omdat elke kerk, synagoge, buurthuis, school, zelfs de kapsalons van deze stad het geweldig vindt om met enige regelmaat in groepsverband wat eten over het hek te flikkeren. En ik merkte de aanwezigheid van het hek toen ik op een marktje twee biologische tomaten kocht, uit een moestuin in één van de slechtste delen van de stad. Opgericht door twee vrolijke vriendinnen die zo graag wilden dat de bewoners eindelijk toegang hadden tot lokaal geproduceerde biologische groente. Goed bedoeld, toch liep het niet storm. De buurtbewoners waren niet echt geïnteresseerd. Een gebrek aan organische tomaten bleek nu eenmaal niet het meeste urgente probleem in de wijk.
Soms was de aanwezigheid van het hek weerzinwekkend. Bijvoorbeeld toen we weer eens ingewikkelde peperdure biertjes van lokale microbrouwerijtjes stonden te drinken en één van mijn collega’s foto’s liet zien van weer een geslaagd dagje “urban exploration”. Dat zijn dus mensen die in hun vrije tijd in plaats van naar de natuur, of de rivier, voor de lol op ontdekkingsreis gaan in één van die armzalige wijken aan de andere kant van het hek. Zo’n wijk die werd geteisterd door “white flight” gevolgd door “black flight”, gevolgd door iets wat men “urban decay” noemt. Stedelijk verval. In de natuur zijn er dan schimmels en bacteriën die profiteren van het karkas. In het geval van rottende steden zijn dat dus “urban explorers” die hun lol op kunnen. Op zijn Facebook-pagina zie je de ene na de andere romantische zwartwit foto verschijnen van verlaten huizen met kapotte piano’s, ingezakte veranda’s, roestige leuningen, gebroken ramen, afgebladderde verf en graffiti. Dat levert vooral bij strijklicht prachtige plaatjes op, geschikt om in te lijsten en boven de bank te hangen. Liefst met een verdwaalde pitbull in beeld of een man in zo’n authentiek vies hemd. (Zo’n hemd noemt men ook wel een “wife beater”. Dat is niet zo grappig als het klinkt.)
Nog mooier dan urban decay is misschien wel industrial decay. Geschikt voor bruiloften, partijen, festivals. Die collega nam me mee naar een evenement, rondom een oud katoendepot dat al decennia geen bedrijvigheid meer had gezien en aan alle kanten afbrokkelde. Op het festival waren verschillende kunstwerken te zien, optredens met wereldmuziek, performance art van een man die om onbegrijpelijke reden in een plastic zak door het publiek kronkelde, er waren meisjes met priegelkunst van potjes en insecten. En iemand had een kleurrijke muurschildering aangebracht op dat gigantische leegstaande depot. Ik sprak met een man die me uitlegde dat het gebouw, samen met nog een handvol andere leegstaande pakhuizen en energiecentrales, afgebroken zou worden voor de komst van een nieuw football stadion. Dat stadion had de stad een enorme hoeveelheid banen, economische activiteit en extra inkomsten kunnen opleveren. Maar er werd succesvol tegen geprotesteerd en nu konden we blijvend genieten van de leegstand. Zeg nou zelf: football stadions zijn lang niet zo sfeervol en fotogeniek als de authentieke schraalheid van een verlaten industrieterrein.
De avond viel en de grote finale van het festival begon. À la burning man werd een kartonnen stellage van wel tien meter hoog in brand gestoken. Het gigantische inferno bracht het publiek in extase. Mensen brulden, floten op hun vingers, zongen liederen, verliefde stellen grepen elkaar stevig vast, enkele vrouwen dansten uitbundig op blote voeten in het onkruid. En terwijl het bouwwerk ineenstortte en er een enorm gejoel uit het publiek opsteeg dacht ik: ze dansen op hun eigen graf. Dat het niet goed gaat aan de andere kant van het hek is wel duidelijk. Maar aan onze kant is er ook iets grondig mis. Aan onze kant leeft een generatie met teveel afbraaklust en te weinig opbouwdrang. Ik weet niet hoe lang dat vol te houden is.

Zwanger en ziek (NRC 23 januari 2016)

Voelt u op dit moment een ongemakje? Pijn? Jeuk? Misschien heeft u last van uw knie of uw rug? Of lichte hoofdpijn? Heeft u het warm? Heeft u dorst? Honger? Duizelig? Een wazige blik? Een verstopte neus? Moet u veel plassen? Heeft u dunne ontlasting? Of juist verstopte darmen? Bent u moe? Vergeetachtig? Angstig? Neerslachtig? Ligt u wakker? Heeft u levendige dromen?
Of had u misschien gisteren last van één van deze dingen, of vorige week?
De kans is groot dat dat zo is. En de kans dat u geen idee heeft waardoor deze ongemakjes werden veroorzaakt is ook groot. Tenzij u zwanger bent. Dan is alles wat u voelt eenvoudig te verklaren. Typ in: hoofdpijn/rugpijn/levendige dromen/neerslachtig/prikkelbaar en het toverwoord “zwanger” en je vindt tientallen websites die in de rij staan om jou te vertellen dat het volledig normaal is, te verwachten zelfs. Eigenlijk zou het wereldnieuws zijn als je je negen maanden lang niet akelig zou voelen. De hormonen “gieren door je lijf”. Dat weet iedereen, en we lijken er ook collectief van overtuigd dat die hormonen een destructieve werking hebben op je lichamelijke en mentale vermogens.
Ik merk hoe ik er zelf op ben ingesteld. Ik verpest een experiment in december en het eerste wat ik denk: “zie je wel, derde trimester”. Mijn geheugen zal wel aangetast zijn, mijn inschattingsvermogen, mijn concentratie. Ik ben nu eenmaal een bom van hormonen. Totdat je de literatuur leest en het onzin blijkt. Er zijn ongeveer net zo veel studies die vinden waarin zwangere vrouwen het béter doen in geheugentestjes dan slechter. Het is dus een fabeltje. En niet zo’n onschuldig fabeltje. Het gevolg is dat miljoenen gezonde zwangere vrouwen, in de bloei van hun leven en hun carrière, systematisch worden onderschat door collega’s, bazen, echtgenoten, vrienden en door zichzelf. Je merkt het aan alles. Duizend keer die vraag, vol compassie, “hoe voel je je?” Of “wanneer ga je stoppen met werken?”. Alsof je potdorie terminaal ziek bent. En het ergste is dat je tijdens die negen maanden natuurlijk een keer rugpijn krijgt, of hoofdpijn, of een verstopte neus, en ook al had je vorig jaar last van precies hetzelfde kwaaltje, dat het dan toch je vermoedens van je algehele fysieke en mentale zwakte bevestigt.
Dit gaat niet alleen over zwangerschap. Dit is een algemener probleem. Ook anno 21e eeuw is de gemiddelde burger zo bedroevend slecht in het bedrijven van basale wetenschap. We zijn hoger opgeleid dan ooit. Iedereen kan lezen, schrijven, rekenen, we spreken onze talen. Maar een simpel experiment uitvoeren, of beredeneren wanneer conclusies gerechtvaardigd zijn blijft telkens te hoog gegrepen. We blijven verbanden zien tussen zaken die niets met elkaar te maken hebben. De UMTS-mast en je duizeligheid. Het weer en je slaapkwaliteit. Het eten van brood en je ontlasting. Vaccinatie en autisme. Onze eigen ervaring, en de kleurrijke verhalen van onze buurmannen en collega’s blijven de belangrijkste aanwijzingen voor hoe de wereld in elkaar steekt.
Genoeg geklaagd. Want er is een keerzijde. Het is niet alleen maar negatief. Precies diezelfde tekortkoming kunnen we inzetten om je eigen, al dan niet ingebeelde, gezondheidsproblemen op te lossen. Stel, je bent zwanger en je krijgt rugpijn. Een collega ziet je strompelen door de gang en zegt: “oh meid, ik had ook zo’n rugpijn tijdens mijn zwangerschap. Hier is het telefoonnummer van de acupuncturist. Vraag me niet hoe, maar na twee behandelingen had ik nergens meer last van.”
Wat te doen? Ik ben wetenschapper. Ik weet dat er nauwelijks bewijs is dat acupunctuur ook maar een greintje helpt ten opzichte van placebo-behandeling (fopprikjes met tandenstokers, of prikjes op “irrelevante” plekken). Niemand heeft ooit bewijs gezien van die meridianen of energiebanen die met de naaldjes moeten worden geprikkeld. En het feit dat het om een “eeuwenoude” Chinese behandelwijze gaat, laat me ook koud.
Wat doet een zwangere vrouw die de wetenschap serieus neemt maar barst van de rugpijn? Die belt onmiddellijk die acupuncturist. Of de Ayurvedische behandelaar, of de hypno en/of massage en/of manueel therapeut. Of iemand anders die een uurlang in volle concentratie met gefronste wenkbrauwen en zijn haar in een staart zijn onzin op je loslaat. Zolang er een dromenvanger of Oosterse tegelwijsheid aan de muur hangt en er een cd met vogel en waterval-geluiden opstaat, doe ik enthousiast mee en betaal bij de uitgang.
Waarom? Omdat het veilig is en omdat het werkt. Het is ontzettend ingewikkeld om géén effect van acupunctuur te vinden ten opzichte van iemand die thuis blijft en geen actie onderneemt. Als wetenschapper interesseert het me misschien hoe iets werkt, als patiënt maakt het me geen fluit uit als ik maar pijnvrij door kan lopen. Wij leven nu eenmaal niet in een placebo-gecontroleerde werkelijkheid. Wij hebben grote hoofden, we verzinnen onze eigen kulverhaaltjes, we fantaseren erop los. Als we onszelf ziek kunnen praten, kunnen we onszelf ook beter praten. Het is geen schande om dat te proberen.